Slechts één canon handelt over de bedienaar van het sacrament van de ziekenzalving, te weten c. 1003. In de eerste paragraaf wordt gesteld dat de priester (sacerdos) en die alleen (omnis et solus) geldig (valide) de ziekenzalving toedient.
In een Amerikaans commentaar wordt gesproken over het feit dat in de laatste fase van de Codexherziening gepoogd is om de woorden "valide" en "omnis et solus" te verwijderen.
Drie redenen werden hiervoor aangevoerd:
1) Er is voor deze regel geen historische grond aan te voeren, in ieder geval niet voor de eerste acht eeuwen.
2) Het Romeinse Rituaal refereert niet aan de geldigheid in deze connectie.
3) Het Concilie van Trente sprak zich bij de vierde anathema sit bij de ziekenzalving door niet-sacerdotes niet uit over de geldigheid.
["Si quis dixerit, presbyteros Ecclesiae, quos beatus Iacobus adducendos esse ad infirmum inungendum hortatur, non esse sacerdotes ab episcopo ordinatos, sed aetate seniores in quavis communitate, ob idque proprium extremae unctionis ministrum non esse solum sacerdorum: anthema sit, 14e zitting, 25 november 1551, Denzinger, 31e editio, nr. 929]
Dit voorstel heeft het destijds niet gehaald. Dit betekent dat dus enkel priesters (en dus ook bisschoppen) geldig de ziekenzalving toedienen. Indien diakens de ziekenzalving toedienen is het sacrament ongeldig. Het Münsterischer Kommentar noemt deze bepaling een positief kerkrechtelijke bepaling op grond van het feit dat er geen dogmatische beslissing over gevallen is. ["Mit der Festlegung, daß nur inhaber der Priesterweihe die Krankensalbung gültig spenden, gibt 1003 eine positiv-rechtliche Anordnung wieder. Eine dogmatische Vorentscheidung in diesem Sinne besteht nicht." K. Lüdicke, in Münsterischer Kommentar zum CIC, 1003, 1]
De tweede paragraaf van c. 1003 bepaalt dat alle priesters die de zielzorg uitoefenen de plicht en het recht hebben om de ziekenzalving toe te dienen aan de gelovigen die aan hun pastorale verantwoordelijkheid zijn toevertrouwd. In c. 530 wordt dit geëxpliciteerd voor de pastoor. Canon 530 spreekt over de taken die in het bijzonder zijn toevertrouwd aan de pastoor. Canon 530, 3° spreekt over de toediening van het Viaticum en de ziekenzalving. Echter in c. 530, 3° wordt tevens verwezen naar c. 1003 §§ 2-3.
In tegenstelling tot een kerkelijk huwelijk, die niet zomaar zonder delegatie door elke priester in een parochiekerk of kapel geassisteerd kan worden, is om een verantwoorde reden het wel geoorloofd dat een andere priester, dan degene die de zielzorg is opgedragen, het sacrament van de ziekenzalving toedient. Hierbij moet tenminste verondersteld worden dat de priester met de toegewezen taak van zielzorg toestemming geeft.
Zou later blijken dat die toestemming ontbreekt, maakt dit de toediening van het sacrament niet ongeldig, maar wel ongeoorloofd. Dit, nogmaals, in tegenstelling tot een kerkelijk huwelijk. Blijkt later dat de assisterende priester geen delegatie heeft gekregen van de pastoor (of Ordianris), dan is het gesloten kerkelijk huwelijk ongeldig!
Ook de toediening van het sacrament door een priester die gestraft is door een censuur, maakt de toediening niet ongeldig, maar slechts ongeoorloofd.
Tenslotte de derde paragraaf van c. 1003. Deze staat aan iedere priester toe om gezegende olie bij zich te dragen. Zodoende kan elke priester in geval van noodzakelijkheid het sacrament van de ziekenzalving toedienen. In dit geval mag trouwens ook de veronderstelde toestemming van de priester die de zielzorg is toevertrouwd, ontbreken.
Deze regel is een verandering ten opzicht van de oude Codex. In de Codex van 1917 mocht de heilige olie slechts in de Kerk of bij bepaalde voorwaarden in een privé-huis bewaard worden (cc. 735 en 946 CIC/1917).
Deze verandering van de regel stamt uit 1965, alwaar de bisschop priesters kon toestaan om de olie voor de ziekenzalving bij zich te dragen (decreet Pientissima Mater Ecclesia van 4 maart 1965 (AAS 57 (1965): 409).
Overigens is deze regel niet meer zo urgent als in 1965. Immers als de priester geen gezegende olie bij zich draagt en er doet zich een geval van noodzakelijkheid voor, mag hij conform c. 999, 2°, iedere plantaardige olie zelf zegenen voor de toediening van het sacrament.