Het sacrament van de ziekenzalving wordt ook wel Heilige Oliesel genoemd en heette vroeger laatste zalving. Deze benaming sproot voort uit het feit dat deze zalving toegediend werd aan hen die zich in stervensgevaar bevonden.
Het sacrament is gebaseerd op de brief van Jacobus. Jacobus schrijft: "Is iemand van u ziek, laat hij de oudsten (priesters) van de Kerk roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam van de Heer. En het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem oprichten; indien hij zonden heeft gedaan, ze zullen hem vergeven zijn." (Jacobus 5, 14-15).
Het sacrament van de ziekenzalving is dus een genade waardoor ook zonden vergeven kunnen worden indien de ziekte de mens onmogelijk maakt om de zonden in een persoonlijke biecht te belijden.
In de Codex van 1917 was bepaald, dat het H. Oliesel bediend kon worden aan een gedoopte die tengevolge van ziekte of ouderdom in stervensgevaar (in periculo mortis) verkeert (c. 940 § 1). Echter het Tweede Vaticaans Concilie veranderde deze opvatting en bepaalde in de constitutie Sacrosanctum Concilium (4 december 1963) in nummer 73: "Het ´laatste oliesel´, dat ook en beter ´zalving van de zieken´ kan worden genoemd, is niet uitsluitend het sacrament van degenen die in uiterste stervensgevaar verkeren. De geschikte tijd om het te ontvangen is dan ook reeds aanwezig, wanneer een gelovige door ziekte of ouderdom in levensgevaar begint te komen." In de huidige Codex van 1983 is deze bepaling dan ook in c. 1004 § 1 opgenomen.
[Het Viaticum hier en tegen is wel bedoeld voor gedoopten in stervensgevaar (vergelijk de cc. 921-922).]
In de huidigengscanon betreffende het sacrament van de ziekenzalving zien we bovenstaande elementen terug. De ziekenzalving richt de zieke op en redt hem.
De materie is het zalven met olie en de vorm is het uitspreken van de woorden die in de liturgische boeken zijn voorgeschreven.
In de huidige canon wordt dus ten aanzien van de materie enkele gesproken over olie (oleo) en niet meer over olijfolie (oleo olivarum), zoals gebeurde in dengscanon over de laatste zalving uit de Codex van 1917 (c. 937).
Deze verandering is mogelijk gemaakt door Paus Paulus VI. Hij schreef in zijn Apostolische Constitutie Sacram unctionem infirmorum van 30 november 1972 als volgt over de olie: ´Sinds olijfolie, welke was voorgeschreven tot nu voor een geldige viering van het sacrament, niet of moeilijk verkrijgbaar is in sommige delen van de wereld, hebben wij gedecreteerd, op verzoek van een aantal bisschoppen, dat van nu af aan, gezien de omstandigheden, een andere olie gebruikt kan worden, indien het uit planten is bereid en gelijkend aan olijfolie is.´(vertaling auteur, zie voor de Latijnse tekst AAS 65 (1973), 5-9)
Dit is opgenomen in de huidige Codex, te weten in c. 847. Aldaar is in de eerste paragraaf geschreven "Hij het toedienen van sacramenten waarbij heilige oliën aangewend moeten worden, moet de bedienaar oliën gebruiken uit olijven of andere planten geperst …".
De geëigende vorm luidt in het Latijn, volgens het Romeins Rituaal aldus:
"Per istam sanctam unctionem et suam piissimam misericordiam adiuvet te Dominus gratia Spritus Sancti, ut a peccatis liberum te salvet atque propitius allevet." (Door deze heilige zalving helpt de Heer jou in zijn rijke barmhartigheid met de kracht van de Heilige Geest, hij redt jou en richt jou op doordat hij jou van de zonden bevrijdt)
De geschiedenis over dit sacrament is niet glashelder. De kerkhistoricus Plöchl schrijft er erg weinig over en er zijn nog steeds diverse meningen over de oorsprong en vorm van dit sacrament.