catkids (7-12 jaar) | 3nity (13-20 jaar) | catechese | liturgie | kerkrecht
 Welkom, klik hier om in te loggen zaterdag 27 maart 2004
 
INLOGGEN

inloggen
lid worden
uitleg
faq

ONTMOETING

de kathedraal

NIEUWS

homepage
weekoverzicht
archief

MULTIMEDIA
webtv
webradio
slideshows
AMS e-cards
CATECHESE
homepage
doopcatechese
LITURGIE
homepage
KERKRECHT
homepage
Codex uitgelegd
FORUM
overzicht forums
forumregels
RKLINKS.NET
links
banners
COLOFON
over ons
contact

Ziekenzalving: Aan wie de ziekenzalving toegediend moet worden

Geplaatst op

Vier canones behandelen degenen die het sacrament van de ziekenzalving kunnen of moeten ontvangen.
In c. 1004 § 1 wordt gesteld dat elke gelovige die tot het gebruik van het verstand gekomen tengevolge van ziekte of ouderdom in levensgevaar geraakt de ziekenzalving mag ontvangen.

Het woord geraakt (incipit versari) geeft aan dat het sacrament van de ziekenzalving niet enkel bij acuut levensgevaar toegediend mag worden, maar al eerder. Wat betreft de leeftijd van de gelovige is dit vanaf zeven jaar, ingevolge de gehanteerde woorden ´tot gebruik van het verstand gekomen´. Zoals bekend wordt in c. 97 § 2 gesteld dat dit verondersteld wordt vanaf het voltooien van het zevende levensjaar.
Voor verstandelijk gehandicapten is niet expliciet een regel vastgesteld. Maar in het licht van c. 1005 past hierbij geen kleinzieligheid. (Zie ook K. Lüdicke, in Münsterischer Kommentar zum CIC, 1004, 3 (Stand: 1. Erf.-Lfg. August 1985)].

Wat betreft kinderen onder de zeven jaar, die dus nog niet tot het verstand gekomen zijn, kan gezegd worden dat ze nog niet hebben kunnen zondigen, zodat ze dus ook geen kwijtschelding nodig hebben. Dit is overeenstemming met de bepaling rondom de biecht, die gedoopten vanaf het gebruik van het verstand verplicht om eenmaal per jaar te biechten (c. 989).

De tweede paragraaf van c. 1004 stelt dat het sacrament van de ziekenzalving herhaald kan worden indien:
de zieke beter geworden is en opnieuw door een ernstige ziekte getroffen wordt;
of het gevaar ernstiger geworden is tijdens dezelfde ziekte.
Deze bepaling is een accentverschuiving ten aanzien van de oude canon 940 § 2/1917. Daar werd namelijk gesteld dat de ziekenzalving in het algemeen niet herhaald kon worden tijdens dezelfde ziekte. Het mocht wel als de zieke genezen was en vervolgens weer in stervensgevaar kwam.
Deze accentverschuiving is begrijpelijk aangezien de toediening van het sacrament eerder een ondersteuning is geworden voor de zieke dan een laatste kwijtschelding van zonden bij stervensgevaar.

In bepaalde gevallen kunnen er vragen bestaan of het sacrament nog wel toegediend kan worden. Hierover handelt c. 1005. Bij twijfel of de zieke tot het gebruik van verstand gekomen is: of dat hij levensgevaarlijk ziek óf dood is, dient het sacrament van de ziekenzalving toegediend te worden.
De toediening van het sacrament is volgens deze canon dus een volwaardige toediening. De voorloper van deze canon was c. 941/1917. Daar werd gesproken over een toediening onder voorwaarde (sub condicione) in genoemde gevallen. De toediening van het sacrament geschiedde dan met de woorden si capax (indien je capabel bent, ofwel het gebruik van het verstand bezit(te)) ofwel met de woorden si vivis (indien je leeft).

Deze toediening onder voorwaarde is nu dus vervallen. Dit is ook mogelijk aangezien het sacrament van de ziekenzalving geen merkteken inprent en dus herhaald kan worden. Indien het dus echter zeker is dat de zieke gestorven is, of dat de zieke nooit tot het gebruik van het verstand gekomen is dient het sacrament niet toegediend te worden.

Normaliter is het de gedoopte zelf die om een sacrament vraagt. In het geval van ziekte kan het echter voorkomen, dat de vraag om de ziekenzalving nog niet positief gesteld is en dat de zieke in coma geraakt en niet meer zelf om het sacrament kan vragen. Voor deze gevallen regelt c. 1006 de toediening. Deze stelt dat aan zieken die, toen ze over het gebruik van vermogens beschikten, tenminste impliciet om het sacrament gevraagd hebben, het sacrament toegediend moet worden. Het woordje impliciet (implicite) duidt hier vooral op de houding en de handelswijze van de zieke gedoopte. Indien de houding en handelswijze duidt op een leven met sacramenten, kan in geval van coma (of anderszins waarbij de zieke niet zelf meer om de ziekenzalving kan vragen) het sacrament toegediend worden.

Het hoofdstuk over het sacrament van de ziekenzalving sluit af met c. 1007. Deze canon regelt dat aan hen die halsstarrig volharden in een zware zonde die publiek bekend is de ziekenzalving niet toegediend mag worden. De vroegere Codex kende hier nog een mogelijkheid dat bij twijfel hierover het sacrament onder voorwaarde toegediend mocht worden (c. 942/1917). Dit is dus niet meer opgenomen.

De huidige canon kent enkele afbakeningen voor het niet toedienen van het sacrament.
Allereerst moet een gedoopten halsstarrig volharden in een zware zonde. Dit betekent dat de gedoopte gemaand moet zijn om zich te bekeren! Deze vermaning mag niet in de publieke viering geschieden, maar via pastoraal gesprek.
Ten tweede moet de zware zonde publiek bekend zijn. Dit is het geval bij alle opgelegde straffen (via de kerkelijke rechtbank of via de Bisschop). Het is in principe ook mogelijk bij een censuur van rechtswege (latae sententiae) indien de gedoopte publiekelijk de verboden handeling verricht.
Een zware zonde is in ieder geval niet publiek bekend, indien dit louter in een biechtgesprek ter sprake is gekomen.
Ten derde moet het een zware zonde zijn (gravi peccatio).

Het probleem hierbij is dat het begrip zware zonde niet bepaald wordt in de Codex. In de Catechismus wordt in nummer 1857 de doodzonde een zonde genoemd, die een zwaarwegende materie betreft.
Nummer 1858 van de Catechismus stelt dat zwaarwegende materie zaken zijn die in de tien geboden worden genoemd, zoals Jezus ze doorverteld heeft (Mc 10,19). Dit zijn dan in ieder geval doden; echtbreuk; stelen; vals getuigen en oneerbaar gedrag tegen ouders.
Nummer 1859 verlangt dat de zware zonde met volle kennis en volledige instemming geschiedt.
Kennis veronderstelt dat men weet heeft van het zondige karakter van de daad en van de strijdigheid met de wet van God.
Volledige instemming veronderstelt een voldoende vrije instemming om de persoonlijke keuze te kunnen maken de daad te begaan. Iemand die gedwongen wordt met een pistool op zijn slaap heeft geen volledige vrije instemming.
Indien de kennis aanwezig is en de persoon wendt onwetendheid voor omtrent de zondigheid van de daad wordt het vrijwillige karakter van de zonde juist weer vergroot.

Een voorbeeld van een zware zonde volgens de katholieke leer is het tweede huwelijk na enkel een burgerlijke scheiding.
In principe zijn de betrokken gedoopten bekend dat zij in zware zonde leven vanwege diverse teksten uit het Vaticaan. Ook is het huwelijk publiek bekend, aangezien het civiele huwelijk in principale publiek is.
Maar ook dient goed gekeken te worden of c. 1007 in werking kan treden. Een katholiek gedoopte, die in het eerste huwelijk getrouwd is geweest met een ongedoopt kan in de veronderstelling leven dat zo´n huwelijk na burgerlijke scheiding ook voor de kerk definitief ten einde is, aangezien het een ongedoopte betrof. In dit geval kan kennis over de zondigheid van het aangaan van een tweede huwelijk, zonder nietigverklaring van het eerste, kunnen ontbreken. Ook indien de kennis van de zondigheid aanwezig is bij de gedoopte, moet de betrokkene allereerst gemaand worden tot inkeer alvorens c. 1007 in werking kan treden.

Aangezien Vaticanum II stelt dat geloof een gewetenszaak is, omdat het geweten de zetel van het geloof is, ontrekt het geloof zich ook gedeeltelijk aan een volle canonieke controle. De vraag is in hoeverre een gedoopte een zware zonde begaat indien hij/zij een tweede huwelijk aangaat met als doel een goede verzorging van de kinderen. En dus niet zo zeer de echtbreuk zelf. Feit is in ieder geval dat hertrouwd gescheidenen niet specifiek in de Codex genoemd worden als gedoopten die in zware zonde leven.
Zowel voor c. 1007 alsmede c. 915, waar dezelfde termen gebruikt worden voor het ontvangen van de eucharistie, blijft het voor de desbetreffende pastoor veelal een afweging waarbij de actuele interpretatie een rol zal spelen.
In deze kwestie kan nog gewezen worden op een onderscheid drie niveaus van interpretatie: categoriaal, personalistisch en communaal.

Bij een categoriale interpretatie ligt het accent op de zwaarwegende materie. Dus: ´iemand die zo en zo handelt´ wordt uitgesloten. Men kan deze interpretatie vrij objectief noemen.
In een personalistische interpretatie domineert de eigen opvatting van de gelovige. Kortom: vooral het gewetensaspect speelt een rol. Deze interpretatie kan subjectief genoemd worden.
Een communale interpretatie beschouwt de kwestie vanuit de gemeenschap. De vraag wordt: wat vindt de gemeenschap ervan? Hier kan een verschuiving plaatsvinden van wat de Kerk als instituut als zware zonde beschouwt en wat een plaatselijke gemeenschap als zware zonder ervaart.

© 2003 O.G.M. Boelens


Gerelateerde artikelen:
Ziekenzalving: bedienaar
Ziekenzalving: Viering van het sacrament
Ziekenzalving: Aard van het sacrament

ZOEK

 
Trefwoord:

OF GA NAAR

Vragenformulier
Dossiers en artikelen
De Codex uitgelegd
Particulier recht
Kerkelijke documenten
Index alle artikelen
Achtergrondinformatie
Archief
Links

LAATSTE NIEUWS

Mgr. Schruers getroffen door licht herseninfarct


COLOFON

De Canonieke vraagbaak Johannes Andreae is een initiatief van dr. T. Meijers en dr. O. Boelens van de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht.

Sinds oktober 2002 maakt de Canonieke vraagbaak onderdeel uit van Rorate.

(c) 2002 - Alle rechten voorbehouden.

Statistieken:

Copyright © 2001-2004 DigitalWingz
Het Catechese.net - Als je wilt doorgeven wat je bezielt Articles catalogue
2000 2003 2004