Net als bij het doopsel wordt er bij het vormsel over peetouders gesproken.
Canon 893 spreekt over deze mogelijkheid. De vormeling dient, zover het kan, een peetouder te hebben. De taak van de peetouder is zorg te dragen dat de gevormde zich als een ware getuige van Christus gedraagt en tevens de verplichtingen vervult die verbonden zijn aan het sacrament van het vormsel.
In deze canon wordt dus gesproken over één peetouder. De verplichtingen die verbonden zijn aan het vormsel worden in c. 879 genoemd: nadrukkelijker door woord en daad getuige van Christus te zijn en het geloof verspreiden en verdedigen.
Uit c. 893 blijkt dat niet iedereen peetouder kan worden van een vormeling. Canon 893 § 1 stelt dat een peetouder dezelfde voorwaarden moet vervullen als genoemd in c. 874. De voorwaarden die genoemd worden bij het vervullen van het peetouderschap voor dopelingen zijn de volgende:
1° de peetouder moet door de vormeling zelf, of door de ouder(s) of voogd(en), of door de pastoor of bedienaar bepaald zijn. Tevens moet de peetouder de intentie hebben om de taak uit te oefenen. Dit laatste is natuurlijk logisch. Het heeft geen zin om iemand tot peetouder te maken als hij/zij hier geen zin in heeft.
2° de peetouder moet zestien of ouder zijn. De diocesane Bisschop kan een andere leeftijd vaststellen, maar ook de pastoor of bedienaar mag om een goede reden een uitzondering hierop maken. In het geval van het vormsel komt de pastoor pas om de hoek kijken als c. 883, 2° toepasbaar is. Dit is in het geval dat de pastoor een volwassene doop en tegelijk haar of hem vormt.
3° de peetouder moet katholiek en gevormd zijn. Tevens moet de peetouder de Eucharistie ontvangen hebben. En de peetouder moet een leven leiden in overeenstemming met het geloof. Aangezien Nederlandse kinderen allereerst de Eucharistie ontvangen (Eerste Communie) en later pas gevormd worden zal een gevormd peetouder meestal ook wel de Eucharistie hebben ontvangen.
De andere bepaling is logisch voor de op te nemen taak. Immers de peetouder heeft als zorg dat de gevormde zich als een ware getuige van Christus gedraagt. Om dit daadwerkelijk te kunnen overdragen dient de peetouder natuurlijk zelf ook in overeenstemming met het geloof te leven.
4° de peetouder mag door geen canonieke wettig opgelegde of verklaarde straf gebonden zijn. Een gedoopte die gebonden is door een canonieke straf ontving deze straf vanwege een breuk met de gemeenschap door bepaald publiekelijk handelen. Deze bepaling treft dus geen gedoopten die door handelen zich zelf geëxcommuniceerd hebben (een zogenaamde straf van rechtswege latae sententiae). Immers c. 874, 4° spreekt over opgelegde of verklaarde straf.
5° de peetouder mag niet de vader of moeder zijn van de vormeling. De ouders hebben conform de canones c. 226 § 2, 774 § 2 hun eigen verantwoordelijkheid voor de christelijke, c.q. katholieke opvoeding van hun kinderen.
Indien er niemand beschikbaar is om als peetouder te fungeren wordt de vormeling zonder peetouder gevormd.
De tweede paragraaf van c. 893 beveelt aan dat als peetouder degene genomen wordt die ook bij het doopsel de taak van peetouder op zich genomen heeft. Deze paragraaf veronderstelt dat er bij het doopsel ook maar één peetouder was. Dit is een juiste veronderstelling. Canon 872 spreekt namelijk maar over één peetouder. Het gehanteerde gebruik in Nederland van twee peetouders is afgeleid van c. 873 § 1, waar over mogelijkheid van één peter en één meter gesproken wordt. In dit laatste geval dient de vormeling of zijn/haar ouders een keuze te maken.
Deze tweede paragraaf van c. 893 is een omkering van de oude canon 796, 1°. Daar stond vroeger te lezen dat de peter niet dezelfde mocht zijn als de dooppeet, tenzij de bedienaar dit om een billijke reden nodig achtte of als er gelijktijdig gedoopt en gevormd werd (zoals bij een volwassene gebruikelijk was en is).