Als een vormsel toegediend is, moet dit bewezen kunnen worden en natuurlijk ook geregistreerd zijn. Immers het vormsel wordt in de Kerk meermalen verplicht gesteld. Zo verplicht c. 241 § 2 voor toelating tot een grootseminarie het vormsel. Ook voor de toelating tot het noviciaat wordt een vormselbewijs vereist. (c. 645 § 1). Eveneens geldt dit voor de wijding voor het diaconaat (c. 1050, 3°). Deze laatste vereiste betreft niet de geldigheid van een wijding. Immers in c. 1033 staat dat ´Geoorloofd ontvangt alleen wijdingen hij die het sacrament van het heilig vormsel ontvangen heeft.´
Voor het huwelijkssacrament geldt een morele plicht om het vormsel te ontvangen vóór het huwelijk indien zij dit nog niet ontvangen hebben (c. 1065 § 1).
Voor de drie andere sacramenten (Eucharistie, Biecht en Ziekenzalving) wordt een vormsel niet verplicht gesteld.
Voor het bewijs van het vormsel verwijst c. 894 terug naar het doopsel, te weten naar c. 876. In deze laatste canon valt te lezen dat een bewijs voltstaat door, indien dit niemand tot nadeel strekt, de verklaring van één boven alle verdenking staande getuige. Tevens kan tevens de eed van een volwassen gedoopte zelf ook dit bewijs opleveren. Aangezien vormelingen meestal op een leeftijd zijn dat zij een eed kunnen afleggen, is in het geval van het vormsel deze eed voldoende.
De kwestie ´indien dit niemand tot nadeel strekt´ is bij een vormsel moeilijk indenkbaar, zodat verzwaarde eisen, in de regel de noodzaak van twee getuigen, niet nodig zullen zijn.
In c. 895 wordt bepaald hoe het vormsel geregistreerd moet worden. De namen van de gevormden, bedienaar, ouders en de peetouders moeten genoteerd worden, alsmede de plaats en de dag van het toedienen. De notering komt in het vormboek van de diocesane Curie of in een boek dat in het parochie-archief bewaard wordt. Dit laatste moet dan wel door de diocesane Bisschop of de Bisschoppenconferentie bepaald worden. In Toepassingsbesluit nummer 14 bij de Codex Iuris Canonici heeft de Nederlandse Bisschoppenconferentie per decreet bepaald "dat in iedere parochie een vormregister bijgehouden moet worden van allen, die binnen de parochie worden gevormd." (31 januari 1989).
Naast deze registratie moet het vormsel ingeschreven worden in het doopboek van de gevormde. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de pastoor van de parochie, waarin gevormd is (2e deel c. 895).
Als de pastoor van de parochie, waarin gevormd is niet aanwezig is, dient de bedienaar persoonlijk, of door iemand anders, hem zo spoedig mogelijk van het toedienen van het vormsel op de hoogte te brengen (c. 896). Dit om te voorkomen dat de inschrijving in het doopboek achterwege blijft.