| |
Brief Nederlandse bisschoppen aan Tweede Kamer over ´embryowet´
De volledige tekst van de brief van de Nederlandse bisschoppen aan de leden van de Tweede Kamer over de embryowetUtrecht, 27 september 2001
Aan de leden van de
Tweede Kamer der Staten Generaal
Betreft: deare beraadslagingen inzake het voorstel van de regering Wet houdende regels inzake handelingen met geslachtscellen en embryo’s (Embryowet)
Zeer geachte leden van de Tweede Kamer,
Het voorstel Embryowet zoals het thans voorligt, heeft ten volle uw aandacht. Daarvan getuigt het zeer uitvoerige overleg dat tot nu toe plaatsvond tussen u en de regering. Uit de recentelijk door de betrokken ministers toegezonden Nota naar aanleiding van het Verslag van uw Kamer blijkt ook dat uw overleg intens en diepgaand is. De r.-k. bisschoppen van Nederland hebben hier waardering voor.
De Nederlandse bisschoppen hebben reeds in 1996 de visie van de Rooms-Katholieke Kerk ter zake, zoals deze o.a. uiteengezet wordt in het document van de Congregatie voor de geloofsleer uit 1987, Donum Vitae, verwoord in een uitvoerige brief aan de verantwoordelijke ministers. In de correspondentie die toen op gang kwam tussen dezen en de Bisschoppenconferentie, werden belangrijke verschillen van inzicht tussen beide uitgesproken. De thans voorliggende voorstellen laten dezelfde principiële verschillen zien. De regering is kennelijk niet overtuigd geraakt van de zienswijze van de Conferentie en van anderen met haar.
Nu uw schriftelijke gedachtewisseling met de regering ten einde is en u besloten hebt over te gaan tot deare beraadslagingen, wil de Bisschoppenconferentie dit moment aangrijpen om u in kennis te stellen van haar zienswijze op de materie. (Ter informatie is eerder gevoerde correspondentie hierbij gevoegd.)
Dat thans een uitgewerkt wetsvoorstel bij de Tweede Kamer is ingediend, verdient waardering. Het bevat zonder meer positieve elementen, in het bijzonder:
- de optimalisering van de controle op experimenten met embryo’s;
- de preventieve maatregelen tegen het gebruik van geslachtscellen tegen de wens van de degene van wie zij afkomstig zijn;
- het stipuleren dat experimenten met embryo’s bestemd voor het tot stand brengen van een zwangerschap en embryo’s die zich reeds in de baarmoeder hebben geďmplanteerd, in hun belang dienen plaats te vinden;
- dat het tijdelijk verbod op veranderingen in het genetisch materiaal van kiemcellen in een permanent verbod wordt omgezet in overeenstemming met de richtlijn van de Europese Gemeenschap terzake (2001/20/EC).
Daarnaast vervult het voorstel voor de Embryowet de bisschoppen met grote zorg, waar wij u deelgenoot van willen maken.
De uitgangspunten waarop de voorstellen zijn gebaseerd, worden kernachtig verwoord in de Nota naar aanleiding van het Verslag (blz. 2):
“Voor wat betreft het terrein van dit wetsvoorstel gaat het er echter met name om aan het gebruik van embryo’s grenzen te stellen. Die grenzen worden (…) bepaald door enerzijds de menselijke waardigheid en het respect voor menselijk leven en anderzijds het belang van bevordering van gezondheid en welzijn. In de daaruit voortvloeiende afweging zijn het beginsel van toenemende beschermwaardigheid van het embryo en het onderscheid tussen restembryo’s en speciaal tot stand gebrachte embryo’s (…) in belangrijke mate bepalend voor de uitkomst.”
Ten aanzien van de visie van de regering op het door haar zo genoemde beginsel van toenemende beschermwaardigheid en over het onderscheid tussen restembryo’s en speciaal tot stand gebrachte embryo’s brengen de bisschoppen het volgende onder uw aandacht.
De gemeenschappelijke noemer onder de uitgangspunten betreft de status van het embryo. Naar katholieke overtuiging heeft het embryo vanaf het moment van de conceptie de morele status van een menselijke persoon: “Het menselijk wezen moet geëerbiedigd en als een persoon behandeld worden vanaf het ogenblik van de conceptie; en daarom moeten vanaf ditzelfde ogenblik zijn rechten als persoon worden erkend, waaronder in de eerste plaats het onschendbare recht van ieder onschuldig menselijk wezen op leven” (Donum vitae I,1; vgl. Evangelium vitae nr. 60).
Anders gezegd, de beschermwaardigheid is inherent aan het menselijk leven zelf, in welk stadium van ontwikkeling ook, om welke reden gesproken wordt van ´absolute beschermwaardigheid´. Een ‘beginsel van toenemende beschermwaardigheid’, zoals de regering dit formuleert, bestaat daarom ook niet. Het komt aan geen mens of menselijke instantie toe om de beschermwaardigheid op grond van zelf geformuleerde criteria te verlenen. Het in de Nederlandse grondwet verankerde recht op onaantastbaarheid van het lichaam is in het geding. Dit principe is fundamenteel voor een menswaardige samenleving.
Het embryo is evenals elke menselijke persoon een waarde in zich. Om deze reden zijn niet- en indirect-therapeutische experimenten, waarin embryo’s worden geďnstrumentaliseerd, ethisch ontoelaatbaar. Alleen direct therapeutische experimenten, die ook in het belang zijn van de betrokken embryo’s, zijn in principe aanvaardbaar, mits de risico’s ervan geproportioneerd zijn aan het voor hen te verwachten voordeel. (In de praktijk doet zich echter de moeilijkheid voor dat experimenten met embryo’s bij de huidige stand van zaken altijd gekoppeld zijn aan IVF, waartegen de katholieke leer fundamentele bezwaren heeft.)
De argumentatie betreffende experimenten met restembryo’s komt er in wezen op neer dat ze beter voor wetenschappelijk onderzoek kunnen worden gebruikt, omdat zij toch worden vernietigd. Het feit dat zij na stopzetten van het invriezen zullen sterven, rechtvaardigt evenwel niet dat zij in experimenten worden verbruikt. Ook op stervende mensen mag men geen experimenten uitvoeren. Noch het leven van een embryo, noch dat van een geboren mens, mag ooit onderdeel zijn van utilitaire calculaties van voor- en nadelen van een handeling. De basisplicht van de staat om menselijk leven te beschermen geldt ook voor het ongeboren leven.
Vanuit het beschreven perspectief is het speciaal tot stand brengen van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek een nog flagrantere schending van hun waardigheid. Omdat de acceptatie ervan in binnen- en buitenland nog gering is, wil de regering dit voorlopig verbieden. Hiertoe is de ratificatie van het Europese Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de Biogeneeskunde opgeschort tot de aanneming van de Embryowet. Zodoende bestaat de gelegenheid een voorbehoud te maken bij artikel 18,2 van dit verdrag dat het tot stand brengen van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek verbiedt. Hoewel het verdrag zelf hiervoor de mogelijkheid biedt (art. 36,1), moet de vraag worden gesteld of dit strookt met het doel ervan zoals verwoord in artikel 1: de bescherming van de waardigheid van de mens en de garantie dat zijn integriteit, vrijheid en fundamentele rechten worden gerespecteerd. Bovendien spoort het maken van een voorbehoud niet met het voornemen van de regering rekening te houden met opvattingen ter zake in het buitenland.
Verder betreuren de bisschoppen dat de Embryowet het niet-reproductieve kloneren in de toekomst mogelijk maakt, met name voor de ontwikkeling van de transplantatiegeneeskunde. In de optiek van de regering zijn aan het kloneren door kerntransplantatie geen ethische bezwaren verbonden, als men hiermee niet de geboorte van genetisch identieke menselijke individuen tot oogmerk heeft. Deze aseksuele vorm van voortplanting schendt echter radicaal de waardigheid van de mens, nog afgezien van de vraag of de zo verkregen embryo’s de kans tot verdere ontwikkeling krijgen of niet. Ook al zullen genetisch-identieke embryo’s goede bronnen van transplantatieweefsels blijken te zijn, toch mag het niet zo zijn dat de genezing van een mens ten koste gaat van het leven van een ander menselijk wezen.
Afwijzing van verbruikende experimenten met menselijke embryo’s betekent niet dat niet tegelijk met de grootst mogelijke inzet moet worden geprobeerd het leed van mensen te verzachten en de oorzaken van lijden en ziekte weg te nemen. Dit motief van barmhartigheid is van grote waarde voor de samenleving. Het stimuleert wetenschappelijk onderzoek naar nieuwe methoden om ziekten en aandoeningen te bestrijden. Dat is zonder meer een goede zaak. Het gaat erom geschikte methoden te vinden die tevens moreel toelaatbaar zijn.
Een alternatief voor het onderzoek met embryonale stamcellen biedt het onderzoek met stamcellen van lichaamsweefsels dat nog in volle gang is en waarvan nog niet alle mogelijkheden zijn ontdekt en benut.
Men kan zich afvragen of de discussie niet te veel bepaald wordt vanuit laboratoria, waar embryo’s door een eenzijdig technische benadering als anoniem ‘menselijk materiaal’ worden beschouwd. Embryo´s zijn daar losgemaakt en vervreemd van de twee menselijke personen uit wie zij voortkomen. Wie het bestaan van zo´n relatie uitsluit van de oordeelsvorming, laat het specifiek menselijke van het embryo buiten beschouwing.
Met zorg nemen de bisschoppen voorts kennis van het feit dat de combinatie van menselijke embryo’s met elkaar en menselijke met dierlijke embryo’s niet volledig wordt verboden: deze combinaties mogen immers volgens de Embryowet tot stand worden gebracht, mits zij zich niet langer dan veertien dagen ontwikkelen. Uit deze combinaties komt als regel één individu voort. Wij zijn van mening dat de absorptie van een menselijk embryo door een ander menselijk embryo en a fortiori die door een dierlijk embryo (of omgekeerd) met zijn status onverenigbaar is.
Hetzelfde geldt onzes inziens voor het laten fuseren van menselijke en dierlijke geslachtscellen. Ook al hebben geslachtscellen niet de status van het embryo, toch is hun waarde niet neutraal.
Graag wilden wij u van onze bezorgdheid omtrent de voorgestelde Embryowet deelgenoot maken. Wij hdat u deze in uw afwegingen wilt betrekken.
Hoogachtend,
+ Adrianus kardinaal Simonis,
voorzitter van de Nederlandse Bisschoppenconferentie


Eerdere gerelateerde berichten: Bisschop Eijk publiceert weer na ziekenhuisopname´Schoenstatt´ en de cultuur van het leven
|
 |
 |
 |
© 2001 DigitalWingz
|
 |